Pioniers van het vrijzinnig-humanisme in Vlaams-Brabant: Paul De Keulenaer

Paul De Keulenaer

23 sep. 2022



En als een piloot, die zich tot dusver moeizaam over de grond had voortbewogen, maar toen plotseling opsteeg, verhief ik mij langzaam naar de stille hoogten der herinnering

A la recherche du temps perdu , Du côté de chez Swann

Marcel PROUST

(1871-1922)


Het geluk van een leraar ligt in de kleine dingen die groot kunnen zijn, een eigenzinnige terugblik, van vrije gedachte naar daad, van droom naar werkelijkheid


De avond is gevallen. In het rond turend, zit ik dromend, op mijn kamer aan mijn werktafel. Doorheen mijn boeken reis ik voor de zoveelste maal de wereld rond, verleden en heden vloeien in mekaar over. Dwalend doorheen de wereld van mijn gedachten word ik plots opgeschrikt. Voor me staat mijn collega van toen, goede vriend en geestesgenoot Etienne. Onderzoekend kijkt hij me aan en zegt: men omschrijft jou als de dynamische onderzoeker – leraar – docent, bij wie taal, geschiedenis en moraal een belangrijke plaats innemen in zijn leven en die deze vertaalde in zijn professionele leven. Hoe heeft, mijn geestesgenoot, je ontwikkeling als gedreven zoeker – onderzoeker in de loop der jaren plaatsgevonden en hoe heeft het resultaat van dit zoeken zich vertaald niet alleen in jouw professionele leven, maar ook in je dagelijkse doen en laten? Je verhouding tot je wereld, de jou omringende wereld, je medemens gans in het bijzonder. Even schrik ik op!


ER ZIT DAN OOK VOOR MIJ NIETS ANDERS OP DAN, NAAR DICHTERTRANT, MIJN VERHAAL TE LATEN AANVANGEN MET EEN AANROEPING TOT DE MUZEN EN MNEMOSYNE, HET GEHEUGEN

Euthydemus. Plato



Ik moet nu bekennen dat ik toch enkele dagen, uren het voorstel om op die vraag in te gaan heb ontweken. Ik zou door de vraag gedwongen worden een ongebruikelijke blik op mijzelf te werpen, mijzelf in zekere zin als een historisch object te beschouwen, en mij in confidenties te begeven die op het eerste gezicht niet anders dan in het teken van een toegeeflijke houding tegenover mijn persoon, ja zelfs van ijdelheid zouden kunnen worden geplaatst. Al deze redenen heb ik me telkens weer voorgehouden.


Die goede Etienne toch, hij bleef op zijn eigenste manier, zo kenmerkend voor hem, zonder enige druk met veel empathie, aandringen maar gaf geen strobreed toe. De vraag werd met enige nadruk herhaald. Ik ben tenslotte gezwicht, enerzijds kan ik moeilijk nee zeggen op een vraag anderzijds zeker als het een goede vriend en zeker een geestesgenoot betreft, doe ik iets als dit liever zelf – voor zover anderen dat ooit zouden doen -. Hoewel ik daar dan moet bij zeggen dat ik niet zeker weet of dit al te persoonlijke verhaal, waarvan het belang voor de lezer kan worden betwijfeld, werkelijk een definitief antwoord behelst.


Vergilius biedt zich aan als gids en wil me begeleiden. Toch slaat de schrik me om het hart bij de gedachte aan de moeilijke tocht die voor me ligt. Vergilius stelt me gerust nadat hij me zachtjes in het oor gefluisterd heeft dat hij gestuurd is door Clio . Zij hield zich nog even verborgen in de hoek van mijn kamer. Fluisterend maar toch nadrukkelijk zei ze : ik die U op weg zend, ik ben Clio. Ik kom van een plaats waarheen ik vurig verlang terug te keren, een plaats waar ik ook jou wil ontmoeten! Een plaats waar door Kracht, Wijsheid, Schoonheid ontstaat. Het was die Liefde die mij in beweging zette en me de opdracht gaf, vraag stelde , doet schrijven, denkend aan Proust.


De mens heeft een historisch bewustzijn, hij denkt historisch. Of het nu gaat om het eigen verhaal, dat van de andere, zijn omgeving, zijn land of de mensheid in haar geheel, steeds is hij geneigd om voorgaande te zoeken en het moment te plaatsen in het zijn nu. Het verleden is constant aanwezig in ons denken. Zo is alles wat ik vroeger geleerd en ervaren heb opgeslagen in de magazijnen van mijn geheugen.


Ik studeerde af. Ik had geluk, vrij meteen kon ik aan de slag. Na omzwervingen langs het Rijkshogere Technische Instituut, de Rijkstechnische Normaalschool voor meisjes te Diest, de Rijksmiddelbareschool te Herk-de-Stad kwam ik uiteindelijk in 1971 in Aarschot terecht. Op 9 september 1971 stapte ik in mijn beste pak – een blauwe blazer en grijze broek - , gesteven hemd en geknoopte das het Koninklijk Atheneum van Aarschot binnen, zo was dat toen. Blazer is afgeleid van het werkwoord to blaze, wat betekent schitteren, oplaaien, in gloed staan. Mijn vader zei altijd, probeer goed te staan, probeer te schitteren, vandaar mijn blazer.


De school rook nog naar nieuw, in 1962 had men hier pas zijn intrek genomen. De Pastoor Dergentlaan was juist enkele jaren aangelegd, de Japanse kerselaars en lijsterbesbomen waren nog klein. De opdracht was niet meteen wat ik verlangde, maar had geen keuze.


Het was een tijd van lezen, studeren en zeer hard werken. Afwisselend of tegelijkertijd gaf ik Frans, kunst- en algemene geschiedenis. Sporadisch organiseerde ik een activiteit, ik was teveel met mezelf en de leerstof bezig. Maar niettegenstaande ik een grote voldoening vond in datgene wat ik moest doen, was er toch dat onderhuids verlangen om datgene wat mijn leven en denken begeesterde te vertalen naar mijn dagelijkse praktijk zonder enige reserve.


Ik maak een synthese van wat was, een terugblik op een loopbaan van 38 dienstjaren, 2 maanden en 18 dagen, in het Rijksonderwijs later Gemeenschapsonderwijs zo blijkt het uit de officiële documenten.


In het totaal heb ik twaalf directies meegemaakt – acht in het Atheneum, vier in de Middenschool - , de andere twaalf directies van de basisschool waar ik voor en na hand - en - spandiensten verleende tel ik er niet bij. Ik verhuisde viermaal van lokaal.


Driemaal is een directeur mijn les komen bijwonen, ik kreeg 6 inspectiebezoeken, felicitaties van de inspecteur-generaal en de doorlichtingscommissie omwille van activiteiten die ik opgezet had. Tweemaal het bezoek gekregen van een controlearts, tweemaal ben ik zelf moeten gaan. Ik heb drie vakken gegeven: Frans, geschiedenis en n.c.zedenleer. Het laatste heb ik het langst gegeven.


In mijn lessen gaf ik altijd blijk van een aanstekelijk enthousiasme, ik was tegelijkertijd overdrager, boodschapper en verteller. Een verhaal over en tegelijkertijd een conversatie met het verleden, ik stapte in een gesprek dat in de geesten van de jongeren al gaande was. Niet ombuigen maar verrijken. Steeds zorgde ik voor een degelijke didactische onderbouw. Een eigen lokaal had ik niet, dat was toen het alleenrecht van mijn collega’s licentiaten. Naast leraar was ik ook een sjouwer met het verleden bouwend aan een toekomst.


Naast de lessen wilde ik de leerlingen iets meer geven, hen op terrein laten aanvoelen wat het vrije denken was. Het werd in mijn opdracht een verborgen verleider. Van de toenmalige studieprefect – zo heette dat toen - kreeg van ik bij de start, eigenaardig genoeg, de volledige steun en dat was in toenmalige tijdsgeest van de school niet niets.


In 1974 nam ik het heft in handen en organiseerde ik naar het voorbeeld van mijn vroegere collega’s uit Diest, mijn eerste reis. Rome, de eeuwige stad was mijn doel, daar kwam alles samen wat geschiedenis, cultuur en vrije gedachte betrof en kon ik me laten gaan. De begeestering was groot, het enthousiasme leerlingen en ouders, sprak boekdelen.


Het was meteen een schot in de roos. Met het vertrouwen en steun van de directie, de oudervereniging en de ouders - men wist toch hoe ik leefde en dacht - besloot ik op deze ingegane weg verder te gaan. Eerst Noord–en Zuid–Italië en later ook Griekenland. Alle grote cultuursteden hebben we aangedaan. Rome was meermaals een draaischijf in het reisgebeuren. De reizen werden grondig voorbereid. Op woensdag namiddag kwamen de leerlingen voor allerlei activiteiten speciaal naar school om een eigen invulling te geven om van hun reizen iets zinvols te maken. Voor die gelegenheid schreef ik samen met een vroegere collega wiskunde van het Koninklijk Atheneum uit Diest de reisgids Rome eerste contact. Voor hem was wiskunde Schoonheid, voor mij was Schoonheid ook wiskunde. Kracht, Wijsheid en Schoonheid, ze waren onlosmakelijk met mekaar verbonden in mijn streven.


Om ons een en ander meer te kunnen permitteren had ik een heuse merchandising opgezet. Ik ontworp zelfklevers, liet T-shirts en jute zakken aanmaken met het logo van de reis. Na de reizen volgde telkenmale een dia-avond. Eerst gingen die door in de 016, een ruim lokaal op het gelijkvloers in het Atheneum, later in de feestzaal van de toenmalige Rijksmiddelbare-meisjesschool in de Bogaerdenlaan. De zalen zaten barstensvol. Achteraf was er telkens een receptie met alles erop en eraan, mensen vonden mekaar. Onvergetelijke momenten. Het maakte mij sterk en gaf me kracht. Met ouders, hun dochters, hun zonen en collega’s werden heuse banden gesmeed. Na de dia-avonden werd de filmmuziek, die we gebruikt hadden als achtergrond bij de diapresentatie, door leerlingen massaal aangekocht bij een lokale platenzaak. Morricone één van hen werd alom bekend! De leerlingen hadden ondertussen van mijn manier van overdragen van kennis leren houden! Vandaag houd ik aan die reizen een reis – en herinneringsboek over, ik koester het. Leerlingen van toen – ouders van nu – schreven er hun indrukken neer.


Er werd eveneens een heuse reisclub opgericht. Later ontstonden ook nog een film- toneel en bonte avondclub. Ik was omnipresent. De bonte avondclub floreerde, het was het jaarlijkse evenement waarop de hele jeugd van Aarschot aanwezig was met de nodige verbroederingen en zoentjes achteraf. De zaal Germinal in de Amerstraat of de Harmonie aan de Hoogbrug in Aarschot waren the places to be.

Later hebben meerdere oud- leerlingen de reizen overgedaan met vrienden, hun partner of hun gezin. Kwam ik hen in de stad tegen gingen de gesprekken, nu nog altijd – nu facebook - , vrij vlug over op de tijd van toen, de school, onze reizen.

Als uitdaging hebben heb ik nog in 1980 met de leerlingen van het RITO ( Rijksinstituut vr Technisch Onderwijs ) – mensen spraken over de school in de wissenhoek , men zei dat die leerlingen daarvoor geen interesse hadden- een reis georganiseerd naar Rome en Zuid–Italie. Ook deze was een voltreffer.


Zo was ik meteen thuis in alle scholen van het Rijksonderwijs van Aarschot


Omwille van de invoering van het VSO, vielen van vandaag op morgen mijn uren weg en liep ik als een geslagen hond door de school, daar stond ik dan. Eerder hadden sommige collega’s van het Atheneum en het RITO de overstap mogen doen naar de middenschool – de toenmalige école moyenne – in de Bogaerdenstraat. Voor mij was er blijkbaar geen plaats want om het vak geschiedenis te geven in dit vernieuwd secundair onderwijs hadden zij zogezegd iemand nodig met een grote bekwaamheid en ervaring!!! Spelletjes die zich al voordeden in het Oude Rome waren niet veraf, Tu quoque.


Maar door het wegvallen van de leerkracht n.c.zedenleer in de toenmalige middenschool kon ik dan toch nog, op voorstel en met steun van de toenmalige inspecteur ncz Luc Devuyst, aan slag. Met nieuwe moed, mijn hart klopte meer dan ooit, trok ik naar de overkant van de straat Voor de zoveelste maal zou ik terug overgaan naar de stage en zou ik later mijn zoveelste benoeming krijgen.

Figuur 1 Speelplaats van de "école moyenne"

Het vak geschiedenis behoorde voor een tijdje tot het verleden maar bleef permanent aanwezig. Clio kon als verborgen verleidster gedijen in een geest van vrijheid en openheid. Geschiedenis bleef permanent aanwezig. Ik probeerde de leerlingen de liefde voor de twijfel bij te brengen, het afwijzen van het grote gelijk, het kritisch bevragen van elke stelling en autoriteit, het koesteren van de nuance en de twijfel. De niet aflatende en nooit eindigende zoektocht naar de best mogelijke versie van de Waarheid. Geen evidente opstelling noch voor de ene, noch voor de andere.


De middenschool, de vroegere école moyenne pour garçons, in de volksmond de kollemejeng voor sommige de korremejeng van Osschot, werd mijn nieuwe school. De bakstenen speelplaats met zijn bomen straalde rust en voornaamheid uit.

Ik kreeg een klas onder het dak. Door het raam keek ik uit op Aarschot en zag de duiven regelmatig pikken in de dakgoot. Een klasje om te snoepen! De toenmalige directie- zij was de tweede vrouwelijke directie - wist wat ze me gaf en hoe ze me kon vertrouwen, want voor haar de trap doen tot boven was een hele karwei. Ik kreeg om die reden een telefoon in mijn klas. Het was in die school een echte vrouwenrepubliek en soms deed ze me denken aan het Vrouwenparlement van Aristophanes. Het was een zeer mooie tijd met zeer veel leuke collega’s, een grote familie, de leerkrachten van de lagere – en de middelbare school allemaal samen.


In die periode was ik nog meer dan voordien, zeer begaan met de problematiek van de medemensen. In die tijd werkte ik naast vele andere thema’s met mijn leerlingen veel rond marginale groepen in onze samenleving. Geregeld hadden we in die zin een activiteit in Huize Eigen Haard, een dag-en vast verblijf voor mindervaliden. Een en ander had ook te maken dat de echtgenoot van een collega, directeur was van het centrum. Ik wilde dat mijn leerlingen kennis zouden maken met de bewoners, hun zijn, hun wereld. Ik organiseerde tijdens de lessen bezoeken aan het centrum om op die manier contacten te leggen met de mensen. Er werd op initiatief van leerlingen van alles georganiseerd en gedaan. Er ontstond tussen de residenten en het personeel een band van vriendschap. Zij keken uit naar onze komst, mijn leerlingen keken uit naar hun ontmoeten. Om een en ander kracht bij te zetten trokken we met zij die konden en het wilden, op woensdagnamiddag de stad in. Aan het centrum hadden we enkele rolstoelen gevraagd. We wilden uittesten in hoeverre de voetpaden in Aarschot gebruiksvriendelijk waren voor onze mindervalide medemens. De confrontatie met theorie en werkelijkheid was groot, we schreven een brief naar de burgemeester om aandacht te schenken aan de problematiek. In die periode was er ook nog iets “vreemd”. Aan de ingang van sommige cafés hing een plaatje “ gehandicapten niet toegelaten”. Ook dan hebben mijn leerlingen actie ondernomen. Onze bezoeken en initiatieven vonden weerklank.


Om redenen mij onbekend, kregen we op een dag een vraag van de programmatoren van het toenmalige programma Ommekaar. Het was een Vlaamse documentairereeks rond probleemgroepen in de samenleving die van 1977 tot 1993 op het tweede net van de BRT te zien was. Bea Matterne en Mic Billet leidden iedere documentaire en reportage in. Bedoeling was om een activiteit van mijn leerlingen te volgen in Huize Eigen Haard, een intervieuw af te nemen van hen en of ze bij een nabespreking mijn les mochten filmen. Dat was een hele belevenis, niet alleen voor de leerlingen, de directie, de ouders – heb je ons Annette gezien? Heb je onze Jeroen gehoord ? – maar ook gans Aarschot de mensen van Huize Eigen Haard gans in het bijzonder. Eigenlijk was het reklame voor het vak ncz! De wereld in onze klas, de klas in de wereld.


In 1987 hebben we nog een uitzending gekregen bij het Vrije Woord-televisie ( later Lichtpunt), het programma van de vrijzinnige omroep die documentaires, reportages, interviews en meer uitzond op de openbare omroep VRT. Het onderwerp was Je eerste ervaring. Ik maakte deel uit van de redactie. Eerst had ik een vragenlijst rondgedeeld, de leerlingen konden wel of niet hun naam invullen. Het was geheel vrijblijvend. Hun antwoorden dienden als leidraad voor de uitzending. Zij konden, indien zij dit wilden getuigenis afleggen over hun eerste ervaring op relationeel en seksueel vlak .De opnames werden gebeurde in de Flater, een bekend jongerencafé. Na de opnames werd er nog duchtig nagepraat op kosten van de VRT. Vlaanderen zag wat we deden. De leerlingen, wat waren zij fier, de ouders niet minder. De dag nadat het programma werd uitgezonden, gingen de leerlingen schoorvoetend de speelplaats, maar geheel onverwacht kregen zij applaus van mijn collega’s en de directie die keek en zag dat het goed was.


Ik wilde me verder verdiepen in de geschiedenis van het gebouw. Later zou ik ze uitschrijven voor het boek Kroniek van Aarschot deel III en laten plaatsen op de website van het Koninklijk Atheneum. In de inkomhal van de school zou nu nog een plaat moeten hangen met in het kort de ontstaansgeschiedenis van de school. Graag had ik nog meer gedaan met deze. Meermaals heb ik gesuggereerd om de campus te noemen naar de liberale burgemeester-notaris Jan van Ophem, iniatiefnemer van de oprichting van een Staatsschool in Aarschot. Bij Koninklijk Besluit van 23 december 1850 om in Aarschot een Ecole moyenne de l’Etat pour garçons was een feit. Het was een van de vijftig rijksmiddelbarescholen die toen in het land werden opgericht. Dat Aarschot daarbij was kon geen toeval genoemd worden. De feestelijke opening had plaats op 4 oktober 1852. Het is de oudste school van Aarschot. In 1914 bij de Eerste Wereldoorlog ging de school voor het grootste gedeelte in de vlam­men op. Na Wereldoorlog I deed de stad heel wat verfraaiingwerken. Deze werden afgesloten met de oprichting van een nieuwe rijksmiddelbare jongensschool. Schoolgebouwen herstellen was één van de prioriteiten gesteld door de adoptiewet. Deze opdracht werd gegeven door de Hoog Koninklijke Commissaris. Op 11 september 1919 werd aan architect Pladet bij hoogdringendheid de opdracht gegeven, op basis van het stadsplan 1915 met betrekking tot de vernielde woningen, plannen op te maken voor de heropbouw van de volledig vernielde school. Op zondag 27 december 1925 werden de nieuwe gebouwen ingehuldigd. “ Er zal ene herinneringsplaat, in steen gebeiteld, op den muur van het nieuwe gebouw gehecht worden.


Dat voor enkele jaren de oorspronkelijke gevelplaat aan de Bogaardenstraat met het opschrift middelbare jongensschool, école moyenne pour garçons op mijn aandringen bij de toenmalige directies werd vrijgemaakt gaf mij een immens gevoel van voldoening. Het ging immers over onze identiteit. Dat had men dan toch begrepen. Aarschot had terug zijn kollemejeng. Onder collega’s die van zedenleer zit niet stil.




De tijd stond inderdaad niet stil, aan de Schoolstraat was men begonnen met een nieuw gebouw voor de middenschool, naast deze van het Koninklijk Atheneum. Toen de nieuwbouw er stond, verhuisden we met onze groep - we sjouwden zelf alles op en aan - naar de nieuwe locatie. Het Koninklijk Atheneum en de Middenschool samen op een campus, un marriage de raison zo bleek later!



Maar niettegenstaande alles bleef het welbevinden van al onze leerlingen, die van deze en die van de overkant, mijn voornaamste prioriteit, tous ensemble.


Een leven voor twee scholen die ik eigenlijk zag als een geheel

Ik had ook nu weer een eigen “volwaardig “lokaal, het lag op de eerste verdieping met uitkijk op de speelplaats. Zoals voorheen wilde ik ook mijn lokaal een eigen karakter geven, mijn lokaal het “huis” van mijn leerlingen. Het werd helemaal ingekleed en planten fleurden alles op. Leerlingen brachten ze zelf mee. Om beurten werden deze verzorgd door hen verzorgd. Boven het bord hing in het groot de spreuk van Poincaré en daarnaast een gezegde dat het belang van keurig taalgebruik benadrukte.


De lessen waren voor de leerlingen steeds een thuiskomen, om de dag te beginnen, door te komen, te eindigen. Het was een verademing zo gaven zij aan.


De leerlingen wilde ik iets meer geven dan het gewone wat ze dagelijks te verwerken kregen in hun lessen. Buitenlandse reizen waren op dat ogenblik vrij duur en daarom niet haalbaar. Daarenboven vond ik het voor hen niet echt zinvol, begin eerst met je eigen omgeving te verkennen en trek dan de nabije en later de wijde wereld in.


Zo ontstonden naast wandelingen-verkenningstochten in de stad, de weekends leerlingen tweede jaar niet-confessionele zedenleer. Wij kozen de goedkope formule van jeugdherbergen. De autocar kreeg ik gratis en voor niks van een vroegere collega, ondertussen vriend geworden, die een autocarbedrijf was opgestart. Alleen het verbruik was voor onze rekening. Een collega was de huischauffeur, dit alles om de prijs te drukken. Telkenmale werd een uitgebreide reisbrochure aangemaakt, werden de ouders uitgenodigd op een infoavond met dia’s.


Wij verbleven onder meer in Bokrijk, Geraardsbergen, Oostduinkerke, Bouillon, Heer-sur-Meuse, De Panne, Mol en meermaals in Brugge en Sankt-Vith. De weekends stonden in het teken van de ontdekking van jezelf, de andere, de wereld met als segment verdraagzaamheid en samenwerking. Met de uitbaters van de jeugdherbergen was het telkenmale een heerlijk weerzien, zij hielden van onze leerlingen en hadden oog voor hun “discipline”, hulpvaardigheid en meer. Dat had weerklank. De toenmalige “grote baas” van de jeugdherbergen en geestesgenoot VB heeft ons een van de keren dat we in Hostel Europa Brugge logeerden, verwelkomd en vergast op een hapje en drankje. Hij zag dat het goed was.


Tijdens die weekends deden we uitstappen en activiteiten allerhande. Ik herinner me de voetbalwedstrijd in Oostduinkerke tussen een jongerengroep uit Engeland en mijn leerlingen, na de match werd er duchtig verbroederd, onze meisjes hadden succes.


Twee andere memorabele momenten herinner ik me. Het was in 1989. Mireille Cottenjé een bekende jeugdschrijfster van toen, voorheen op bezoek in onze school, had zich geëngageerd om met mijn leerlingen een fietstocht te maken in een deel van het Brugse Ommeland. Hier en daar stapten we af en gaf zij uitleg. In Damme, onder het toeziend oog van beeld van Tijl Ulenspiegel genoten we van een heerlijke Damse taart. Het was smikkelen en smullen en rollebollen op het gras.


Heerlijke momenten.


En laatst maar niet het minst, ik had het nooit voor mogelijk gehouden, werden wij met onze leerlingen niet-confessionele zedenleer, ontvangen door Daniel Coens, toenmalig minister van Onderwijs, burgemeester van Damme, vader van Joahim, de huidige burgemeester van het stadje. Ik verschafte op dat moment , mijn leerlingen, ik weet het nog goed, bij het standbeeld van Jacob van Maerlant Vlaams dichter uit de dertiende eeuw , een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs, voor het stadhuis enige uitleg. Vanop de pui van het stadhuis, volgde iemand op afstand aandachtig zonder te bewegen mijn uitleg. Ik had het niet meteen gezien, mijn collega’s wel. Uit het een volgde het ander. Leerlingen ncz werden ontvangen door een katholieke burgmeester, lid van de CVP.


De foto van deze ontvangst heb ik gegeven aan het stadarchief van Aarschot.


Om behoeftige leerlingen te helpen en om de kosten de drukken werd telkenmale een spaghettiavond georganiseerd. In stad liet ik affiches rondhangen, waarop plaats van gebeuren, naam van de school, ten bate van leerlingen ncz en een grote fakkel.


Voor de organisatie en uitbouw van deze weekends kon ik beroep op heel wat collega’s, eerst enkelen, later ook meerdere voor de begeleiding van de leerlingen en de organisatie van de spaghettiavonden. Collega’s stonden in de keuken, leerlingen zorgden voor de bediening. Op de tafel lagen de menu’s waarop de fakkel, centraal hing een grote vlag fakkelvlag en daarnaast de Italiaanse. Er werd getafeld, gelachen… zeg meneer die van ons komt volgende jaar ook bij u zitten.


De avonden groeiden uit tot een waar societygebeuren waarop naast ouders, hun familieleden en of vrienden, collega’s en heel wat sympathisanten en politici van allerlei gezindheden, van en buiten Aarschot, hun opwachting maakten. Ik ontving iedereen met de nodige honneurs. Langs de micro verwelkomde ik nog eens de politici of andere prominenten. hen. Het gebeurde allemaal met stijl.


Een mens kan immers niets alleen en het merendeel van de collega’s waren mijn gedachtengoed genegen en/of hadden sympathie voor mij en wilden ook hun steun aan de leerlingen betuigen.


Het kon niet uitblijven.


De leerlingen van het eerste jaar wilde ik niet in de kou laten staan. Meermaals kreeg ik de vraag ook iets voor hen te doen. Het werd het Prikkelweekend, een smaakmaker. Hun deelname aan het lang weekend in het tweede jaar moesten de leerlingen van het 1ste jaar “verdienen”. Het geheel werd pedagogisch sterk onderbouwd, niets gebeurde vrijblijvend. In heel dit gebeuren was het bezoek aan monumenten, archeologische sites en contacten met mensen, een vast gegeven. We logeerden ook in jeugdherbergen. Onderzoeken, weten, ervaren, kennis opdoen, verbroederen, contacten leggen en genieten waren de onderliggende motieven. Het weekend was gekoppeld aan het jaarlijkse Prikfeest in Blankenberge - we waren telkenmale massaal aanwezig, zo maar eventjes twee autocars, ook weer in bruikleen van die goede vriend- een initiatief van de toenmalige inspecteur-advisseur ncz Luc Meys ook bezieler van het tijdschrift ncz Prik. Onze leerlingen werden steeds met de nodige honneurs behandeld. Ik had Luc Meys leren kennen toen we samen met andere collega’s onder leiding van de toenmalige inspecteur ncz Sonja Eggerickx schreven aan het bronnen – en handboek voor de derde graad SO – ASO en TSO - Durf te denken, denken over moraal en actuele maatschappelijke thema’s.


De activiteiten kregen niet alleen een weerklank in de school, maar ook in de stad. In pers verschenen meerdere keren artikels. Nog meer dan voorheen was ik aanspreekbaar voor ouders. Een en ander resulteerde in een stijgend aantal leerlingen ncz in de middelschool. Meer dan 2/3 volgde de lessen ncz, eigenlijk was ik het “slachtoffer” van mijn eigen succes, de kleine klasjes van toen behoorden tot het verleden maar, mits afspraken, ging het toch allemaal.


Mijn aanzet tot meer onderzoek en verdieping


Mundiale vorming en vredesopvoeding waren thema’s in de herinneringseducatie. Door deze invalshoek wilde ik bij mijn leerlingen het verleden in herinnering brengen en met hen her - denken en zo kon ik de verschillende themata koppelen aan de toen actuele thema’s die hun oorsprong vinden de fundamentele rechten die zijn opgenomen in de Grondwet, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarbij aansluitend, baseerde ik me later ook op de inleiding bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. We lezen dat de Europese Conventie zes grote waarden vastlegt: de eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtstaat en eerbiediging van de mensenrechten.


Hoewel anderen vonden dat ik het verleden moest laten rusten en gewoon met deze jongeren in de fleur van hun leven alleen de toekomst voor ogen moest hebben, heb ik dat altijd, niet zonder enige koppigheid, willen en kunnen integreren in wat men toen het schoolwerkplan noemde.


Bezoeken aan plaatsen van herinnering zoals het fort van Breendonk – nu memoriaal - , de Dossinkazerne – toen nog geen museum - en Boortmeerbeek waar op 19 april 1943 de overval op het XXste konvooi plaatsgreep, waren een vast gegeven in mijn jaarplanning. Deze bezoeken werden in de loop der jaren begeleid door kampoverlevenden die ter plaatse getuigenis aflegden over hun kampervaringen.



Figuur 2: Bezoek aan Breendonk




Figuur 3: Voorgevel met denkplaat Kazerne Dossin




Figuur 4: Gedenkplaat XXste konvooi station Boortmeerbeek


Door een omzendbrief van toenmalig minister van Nationale Opvoeding Willy Calewaert maakte ik kennis met Regine Beer, overlevende van het concentratie – en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Ik nam contact op met haar. Zij gaf me nog meer motivatie en kracht om op de ingeslagen weg verder te gaan.


Meermaals vergezelde ze ons tijdens de bezoeken en in de namiddag mochten we gebruik maken van een lokaal in het Koninklijk Atheneum van Mechelen waar de leerlingen met haar in gesprek konden gaan. Deze momenten lieten op de leerlingen een diepe indruk na.

De toenmalige directeur van het Koninklijk Atheneum Mechelen maakte er voor onze leerlingen een feestdag van, speciaal voor hen werden er die dag frieten geserveerd. Nadien trok ik steeds met de leerlingen naar het jeugdhuis Rzoezie, een initiatief van jezuïet Gilbert Boomgaert waar Marokkaanse jongeren werden opgevangen. Een dialoog tussen jongeren van daar en hier.




En dat deed achteraf de ronde.




Regine was daarna jaarlijks te gast in onze school. Ik trok deze activiteit, zo zij wilden, ook open voor de leerlingen van de andere levensbeschouwelijke vakken, ook ouders waren welkom.

Als diepe erkentelijkheid en ook om identiteit en eigenheid van lokaal ncz te benadrukken, droeg mijn lokaal - naar analogie van de Anne Frankscholen in Nederland - haar naam en op de muurkast stond haar foto met daarnaast een plaatje waarop haar concentrationair parcours.





Figuur 5: Foto Regine Beer op muurkast in mijn klas




Figuur 6:Regine en ik met op de achtergrond plaatje met haar concentrationair parcours


Regine Beer was niet alleen meermaals te gast in mijn klas, later liet ik haar als ere-gast ook uitnodigen op grote activiteiten in school zoals de jaarlijkse proclamatie.


Wanneer bij het begin van schooljaar de nieuwe leerlingen de klas binnenkwamen werd hun aandacht meteen getrokken door de foto op de kast. Wie is oude madam? Later, nu hebben we andere dingen te regelen. Hun nieuwsgierigheid bleef, ze lazen te tekst op de het plaatje. Mijnheer wat staat daar allemaal? En zo begon het grote verhaal, met mondjesmaat ging het over totalitarisme, jodenvervolging, racisme, democratie, onverdraagzaamheid… alles kaderde in geest van mijn klas, de lessen gans in het bijzonder. Als jullie willen kan ik de dame uitnodigen om te spreken over haar verblijf in de Dossinkarzerne in Mechelen, in Auschwitz… . Ja mijnheer please!


De weerklank was enorm, er werd over mijn initiatief gesproken, ook grootouders haalden hun herinneringen op. Gesprekken van de klas kregen een vervolg in de huiskring.


In 1988 Na een deelname aan de studiereis van de Stichting Auschwitz Brussel, werd ik in 1989 gevraagd om lid te worden van de raad van bestuur. Met de overlevenden knoopte ik hechte vriendschapsbanden aan, zij leerden mij veel over hun universiteit van het leven. Meermaals bezocht ik met hen de oorden van verschrikking. Na de bezoeken s’morgens, moest ik s’ namiddag de debatten leiden en zorgen voor de vertaling. Een en ander vertaalde zich in mijn onderwijspraktijk en schiep nieuwe mogelijkheden.


Mijn verhalen en de indrukken van de leerlingen na de bezoeken aan Breendonk en Mechelen, wilden ze vertalen, niet alleen in onze school, maar ook naar de “buitenwereld”.


In 1991 schreef ik Regine Beer, haar getuigenis uit in het boek KZ A 5148Regine BEER. 5148 is het nummer dat zij kreeg op haar arm en dat ze vandaag nog altijd meedraagt. Op het einde van onze reis naar Auschwitz, maakte zij een zware crisis door. “Mensen geloven ons niet meer”, wil jij mijn getuigenis uitschrijven. Om haar troost te bieden zei ik zonder nadenken ja, vandaag ben ik nog blij dat ik haar toen heb kunnen geruststellen.


Het boek werd op 27 maart 1992 onder grote belangstelling voorgesteld in het Vredescentrum te Deurne–Antwerpen. Leerlingen en leerkrachten uit andere netten die ooit met Regine hadden samengewerkt waren aanwezig. In de zaal heerste een grote verbondenheid. Van mijn school was er te elfder ure twee man aanwezig. Vanuit de stad was er een toenmalig gemeenteraadslid Herman Pelgrims. Heel wat vrienden en vriendinnen hadden die vrijdagnamiddag vrijaf genomen en dat was voor mij meer dan belangrijk.


Even later kregen wij, naar aanleiding van het verschijnen van het boek, een brief van het kabinet van de koning waarin door het boek de inzet ten gunste van een wereld met meer solidariteit en verdraagzaamheid geloofd werd.


Op een bepaald moment, zocht ik samen met mijn leerlingen een reactie - antwoord over hun bezoek aan de tentoonstelling De nazi-kampen in hun historische context die ik georganiseerd had in onze school. Er werd gezocht naar de juiste inhoud en vorm. Collega’s en de leerlingen werkten zich uit de naad bij de opbouw. Naast het historisch–didactische luik kozen we voor een vrije interpretatie voor de vertaling van de problematiek. Kostuums werden in samenspraak met leerlingen en leerkrachten ontworpen en gemaakt. Op de muziek van de Mauthausencyclus van de Griekse toondichter Mikis Theodorakis en zang van Liesbeth List, werden danspassen uitgeprobeerd en die uiteindelijk een mooie choreografie werden . Een aangrijpend en mooi liefdesverhaal, ook zo herkenbaar voor de leerlingen. Het schminken van de gezichten was het onderwerp van een ernstige gedachtewisseling. Wit en zwart… In heel het wordingsproces van deze choreografie vertaalden de leerlingen wat zij in mijn lessen geleerd en op de bezoeken ervaren hadden. Vrouwelijke collega’s, hielden zich voornamelijk bezig met het schminken en helpen aankleden van de leerlingen


Een Aarschotse schilder, sprak ik aan voor het decor. Op basis van de Starende ogen van Serge Creuz - logo van de Auschwitz-Stichting - maakte hij een monumentaal werk op isimoplaten.


De tentoonstelling werd opgebouwd in onze vrije tijd.


Veel andere steun kreeg ik niet. De ASLK leverde de affiches. Met de uitnodigingen haalde ik heel wat miserie op mijn hals, omdat ik de omschrijving Koninklijk Atheneum Gemeenschapsonderwijs Aarschot had gebruikt… er moest alleen Koninklijk Atheneum staan Ik mocht ze niet versturen. Lange tijd heb ik ze in mijn kast bewaard. Maar de mond aan mond reclame werkte perfect. Op de beperkte academische zitting, met als gastsprekers Regine Beer en dr. Gie Van den Berghe, mochten we toch nog honderdtwintig aanwezigen verwelkomen. Het sluitstuk van de zitting was de uitvoering van de choreografie door de leerlingen. Prachtig en daardoor onvergetelijk! In het totaal kregen we 1200 bezoekers over de vloer. Een van hen JD, priester op rust, later daarover meer.


Geheel onverwacht, begon het grote avontuur. Datzelfde jaar mochten wij de jaarlijkse 11-novemberherdenking opluisteren in het Vredescentrum te Deurne, al wat naam had in politieke, diplomatieke en geestelijke overheid was aanwezig en kwam achteraf onze leerlingen feliciteren. Geklik van fototoestellen en artikels in de kranten, niet te geloven!


Een jaar later wonnen wij met deze choreografie de eerste prijs en talrijke ereprijzen in de wedstrijd Prijs Jeugd en Civisme 1990 georganiseerd door de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden van het gewest Antwerpen.


In opdracht van het bestuur van de confederatie werd er van deze uitvoering een video-opname gemaakt die achteraf te koop werd aangeboden in het Vredescentrum te Deurne. De deelnemende leerlingen en wijzelf mochten ook nu weer felicitaties in ontvangst nemen van allerlei prominenten en in de Antwerpse kranten sprak men over die school uit Aarschot… In de school zelf, bleef het echter stil.


Moe maar voldaan van al het voorbije trakteerden we de leerlingen en onszelf op een weekendje aan zee, in het domein SunParks De Haan huurden we enkele huisjes en genoten van al het leuks dat zo een domein te bieden heeft. Ook nu weer kon ik beroep doen op collega’s.


Wat komen moest, kwam. Leerlingen staken de speelplaats over en zaten in het Koninklijk Atheneum. De groep was op dat ogenblik verspreid over twee scholen het koninklijk atheneum en de middenschool ik moest dus afspraken maken met twee directies.




Het avontuur kende nog een vervolg. In 1990 werden we door het toenmalige stadsbestuur en de besturen van de politieke gevangenen gevraagd om met de choreografie de opening van de Vredesweek op te luisteren. Na het middageten trokken we weer op met ons konvooi. Sjouwen met de materialen, de kostuums en attributen allerlei, het opbouwen van het decor, het schminken en kleden van de leerlingen… veel tijd hadden we niet.

De stadsfeestzaal zat afgeladen vol. Bij de eerste tonen en opkomen van onze leerlingen werd het muisstil. De betrokkenheid van het voornamelijk jonge publiek was groot. Onze leerlingen kregen een staande ovatie. Willem Vermandere met zijn muzikanten die eigenlijk de hoofdbrok vormden van de namiddag, omhelsden van ontroering de hele groep.


Met trots en ook een beetje gelatenheid hebben we alles weer ingepakt. Ik wilde de leerlingen niet meer belasten dan nodig was en besloot een einde te maken aan dit mooie avontuur. Eigenlijk had ik hun en ook de enkele collega’s zeer veel gevraagd. In schoonheid hebben we alles opgeborgen. Herinneringen worden vandaag nog gekoesterd.


Ik kon het niet nalaten.


Taal heb ik altijd heel belangrijk gevonden. In die zin was ik in mijn doen met de leerlingen ook taalleraar. Correct taalgebruik vond ik heel belangrijk zoals liefde voor de taal en alles wat daarmee samenhing. Zelf ben ik van in mijn jeugd, een verwoed lezer, fictie en non-fictie. Ik had altijd ook een of ander boek binnen mijn bereik en maakte de leerlingen nieuwsgierig, ik vertelde dan…


Ik bracht hen de smaak tot het lezen bij door te vertellen. Inspelen op de jaarlijkse jeugdboekenweek werd een vast gegeven. Ik organiseerde dan in samenwerking met een lokale boekhandelaar een boekenbeurs, lezingen met jeugdschrijvers. Tijdens die week stond alles in het teken van boeken en lezen, leerlingen mochten dan de overdekte speelplaats versieren, inkleden op hun manier. Niet iedereen was tuk op lezen, ik vroeg dan waarom. Een gesprek ontwikkelde zich dan. Nooit heb ik enige druk uitgeoefend. Zij kregen dan een opdracht. Schrijf eens je eigen boek, je eigen verhaal, ontwerp eigen kaft … in die zin dat het datgene is wat het voor jou zou moeten zijn. En raar maar waar soms kwamen ook onthutsende dingen naar boven die te maken hadden met hun eigen leefwereld. Maar er waren ook leuke, ludieke dingen tussen. Op het einde was er dan een heus boekenfeest, drankjes, verkleedpartijtjes … . De school stond dan soms op stelten maar dat was niet mijn zorg.


Ik maakte ook afspraken met de openbare bibliotheek. Met een zekere regelmaat had ik daar ook activiteiten, leerlingen werden begeleid en wegwijs gemaakt door het bibliotheekpersoneel. Met de fusie van de gemeenten in 1977, startte in 1978 het bibliotheekdecreet. Daarin werd de verplichting opgenomen voor steden en gemeenten om een bibliotheek te hebben. Die moest aan zeer strenge normen voldoen. De bibliotheken die onder de wet van 1921 vielen, konden opgaan in de nieuwe structuur. Ik werd de volgende legislatuur voorzitter - gebruiker vrijzinnig humanistische strekking - van de bestuurscommissie en dat gaf me ook heel wat faciliteiten. Ik ben dertig jaar lid geweest van deze commissie, tweemaal heb ik het mandaat uitgeoefend van voorzitter. Ik geloof dat dat ik enige vrijzinnig voorzitter was in Vlaanderen. Bij mijn afscheid in 2016, was er in Aarschot, tot mijn grote teleurstelling, niemand bereid om mij op te volgen.


In de geest van toen moest er ook een culturele raad komen, op basis van systeem d’Hondt konden – moesten verenigen opgenomen worden in de raad. Voor OVM-HVV was er geen plaats, we hebben toen een klacht neergelegd bij de Vaste Culturpactcommissie. Na onderzoek werd de stad verplicht OVM-HVV op te nemen.

Tijden zijn u gelukkig anders.


Later heb ik nog enkele tentoonstellingen opgezet. Er was Het Weten Bekeken i.s.m de VUB permanente uitstraling. Gastspreker was prof.dr.Wilfried Van Rengen, VUB, Aarschottenaar, oud-leerling van het atheneum en geestesgenoot. Hoewel het aantal bezoekers beperkt was, konden we toch 800 mensen verwelkomen.


Er volgde nog een tentoonstelling over de ruimtevaart, het getroffen stadje Oradour–sur–Glane, de Boodschap van Voltaire, het werk van cartoonist GAL met als eregast de auteur zelf, filmvertoningen met als thema de Tweede Wereldoorlog zoals Meensel–Kiezegem en Alleen de mens is onmenselijk met telkenmale de makers van de film als eregasten.

Lokaal en nationaal had ik me ondertussen ook geëngageerd. Ik was lid van plaatselijke afdeling Oudervereniging voor de Moraal en Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk ( OVM-HVV) , later nationaal. De Lange Leemstraat werd bijna een tweede thuis. In 1981 werd het HUMANISTISCH - VRIJZINNIG CENTRUM VOOR LECTUURBEGELEIDING opgericht, kort na deze werd ik nationaal voorzitter. De taak was onze vertegenwoordigers in de plaatselijke openbare bibliotheken te ondersteunen en bij te staan. We gaven het kritisch-bibliografisch tijdschrift De Vrijzinnige lezer uit, dat driemaandelijks verscheen en in de leeszaal lag van iedere bibliotheek in Vlaanderen. Ik beroep doen op zowat een zeventig recensenten zowel jeugd als volwassen en twee personeelsleden stonden in voor de dagelijkse werking.


Naast het openbaar bibliotheekwerk organiseerde ik maandelijks in samenwerking met Fnac Antwerpen op zaterdagnamiddag een literair salon. Tal van auteurs van toen, o.m. Connie Palmen, Tom Lanoye… hebben hun opwachting gemaakt, nadien was er steeds een kleine receptie. Spraakmakend was de activiteit Vrouw in taal, literatuur en wereld met o.m. Brigitte Raskin, Patsy Sörensen, Judith Franco… .

Telkenmale mochten we rekenen op een grote aanwezigheid. Een andere top activiteit was de retrospectieve over het werk van Paul Delvaux met vertoning van zijn film De trein der traagheid naar het werk van Johan Daisne. Sprekers waren Hubert Lampo en prof.dr. Hubert Dethier, prof aan de VUB en Johan Vanhecke wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC). Alles ging door in het voormalig Koninklijk Paleis op de Meir.


Ook auteurs als Louis-Paul Boon en Piet Van Aken, kregen onze aandacht. Voor de eerste mochten we rekenen op de medewerking van zijn zoon Jo en de auteur Paul De Wispelaere. Voor Piet Van Aken trokken we naar de bibliotheek van Niel, de streek van de auteur. We konden rekenen op de medewerking van o.m. zijn zoon Paul en specialisten ter zake. Ik kon mij verheugen op de aanwezigheid van mevrouw Van Aken en Piet’s vriend Hubert Lampo. Op mijn aangeven kreeg later de leeszaal van deze bib de naam leeszaal Piet Van Aken. In navolging van dit colloquium verzorgde we de heruitgave van zijn in 1938 verschenen novelle Twee van ’t gehucht.


Hubert Lampo, lag aan mijn hart en die tijd lag hij erg onder vuur van de zogenaamde linkse rakkers. Ik reageerde, in 1993 organiseerden we ism Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen het colloquium Hubert Lampo, vijftig jaar schrijverschap, tegelijk liep er een tentoonstelling en de uitzettingen die op dit colloquium gehouden werden samengebracht in boek Hubert Lampo 50 jaar schrijverschap.


Op voorstel van prof.em. Hubert Dethier en mezelf in naam van HVCl ontving hij in Antwerpen de Prijs van het Vrijzinnig Humanisme. Deze wordt tweejaarlijks uitgereikt op 21 juni, de Internationale Dag van het Humanisme aan een persoon of organisatie die getuigt van een consequent volgehouden vrijzinnig humanistische levenshouding, wat voor Hubert toch het geval was. Eerder in 1993 had Regine Beer deze ook al gekregen.


De laureaten krijgen een beeldje gemaakt door beeld-houwer Paul Baeteman. Het is als monument terug te vinden aan het Geuzenhuis (Gent), waar in de sokkel de namen van de laureaten gebeiteld worden.




Hubert Lampo bleef mijn hart wegdragen, in 2003 was medeorganisator van de tentoonstelling De inscheping naar Atlantis, de internationale uitstraling van het werk van Hubert Lampo die doorging in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, in 2005 was het de beurt aan de Stedelijke Openbare Bibliotheek van Aarschot.


Sinds 1985 zat ik ook de raad van bestuur van de Unie Vrijzinnige Verenigingen (UVV), de Belgische vrijzinnige koepelorganisatie actief is in Vlaanderen en Brussel. Sinds eind 2012 deMens.nu. In 2012 liep mijn mandaat af.


Op 1 december 1993 keurde de Vlaamse Raad de oprichting van de v.z.w. “Raad voor Inspectie en Begeleiding niet-confessionele Zedenleer” afgekort RIBZ ( nu RIKZZ) goed. Het ondertekenen van de oprichtingsakte gebeurde in het toenmalige basiswijkschooltje van het Gemeenschapsonderwijs gelegen aan de Leuvensesteenweg in Aarschot. Ik was één van de ondertekenaars - medeoprichter. Jaren ben ik lid geweest van de raad. Het secretariaat was gelegen in de Breughelstraat 60 in Antwerpen.


De as Aarschot - Antwerpen - Brussel bestond al. Later kwam daar Leuven bij, ik werd lid van de Instelling voor Morele Dienstverlening, afgekort IMD.


Door deze mandaten en contacten kon ik mijn lessen nog meer inhoud en kracht geven. Geen enkel onderwerp gingen we uit de weg. Ik had de beste verhouding met mijn collega’s levensbeschouwelijke vakken. Op mijn voorstel – aangeven heb ik ze meermaals deelachtig laten maken aan sommige van mijn lessen, activiteiten – lezingen met Regine Beer, uitstappen naar Breendonk, Mechelen en Boortmeerbeek en wandelingen door Aarschot - . Dit alles gebeurde in geest van verdraagzaamheid en wederzijds respect.


Grenzen verleggen, kennis opdoen en doorgeven was een constant gegeven in mijn leven. In 1988 werd ik gevraagd om ncz te geven in de Europese school II in Brussel, zij noemden het moraal. Het was een nieuwe uitdaging en ervaring met al die nationaliteiten. Voor mij was het meteen duidelijk, ik wilde het vak geven, zoals het hoorde. Het “leerplan” van de ES was niet naar mijn, ik heb datgene gevolgd wat gangbaar was in de scholen in Vlaanderen.


De contacten met collega’s hadden iets van samen een beetje reizen. En op die reis droeg ieder van ons altijd zijn persoonlijke reistas, gevuld met zijn ervaringen, gevoelens, gedachten, geleerde levenslessen, aangeleerde vaardigheden. En dat schiep ook een band. Elke reistas heeft een privé-gedeelte en een gedeelte dat wij af en toe toch graag willen delen met andere reisgenoten, omdat we die anderen beter zouden kunnen leren kennen, of omdat we wat zouden willen leren van die anderen. Dat heb ik meermaals ervaren! Het was grensoverschrijdend op alle gebied. Juist dat trok mij aan om in ES les te blijven geven. Onze tafel was dikwijls een plaats van ontmoeting en verdieping. Tot grote verbazing van veel collega’s, iets buiten de opdracht doen, was niet meteen vanzelfsprekend heb ik toch wat activiteiten georganiseerd. Eenmaal heb ik Regine Beer uitgenodigd om te getuigen van over haar concentrationair parcours, en Regina Sluszny over haar periode als ondergedoken joods kind. Met de 7de jaars heb ik tweemaal het concentratie-en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau bezocht nadat ik een rondleiding had gegeven in het museum Dossin. De problematiek was niet helemaal nieuw voor hen maar de locaties lieten een sterke nadruk na. Daarnaast heb ik ook een grote tentoonstelling georganiseerd met de werken van Isaac Jankel “Jacques” ROZENBERG overlevende van Auschwitz-Birkenau . In Mechelen had hij transportnummer Nr. 872 gekregen en werd met het XXIIste A-B konvooi, dat langs Aarschot gekomen is, gedeporteerd naar Auschwitz en “kreeg” daar tatoeagenummer 133328. Dank zij de weduwe mocht en kon ik aan al de studenten van het 7de jaar het gedenkboek geven waarin al zijn werken zijn opgenomen. Spijtige vaststelling, niet alle collega’s van de secties zijn het komen ophalen. Ik ben gestopt in 2016, maar het schooljaar daarop werd ik terug gevraagd om een collega die in bevallingsverlof was te vervangen. Ik heb aan die – mijn leerlingen veel gegeven en ook heel teruggekregen.


Een droom werd werkelijkheid


In de loop der jaren had ik een vriendschapsband, hoewel hij wist hoe ik dacht en leefde, opgebouwd met JD, een priester op rust. Zijn vader was opgepakt tijdens de inval van de Duitsers in Aarschot in augustus 1914 en even later gefusilleerd. Het heeft hem nooit losgelaten, hij vond in mij door al datgene wat ik deed rond verdraagzaamheid en racisme een kompaan. Een grote tentoonstelling organiseren over het leven van Anne Frank was een droom. Na contactname met de Anne Frankstichting Amsterdam, bleek het financieel niet haalbaar.


Enkele jaren later organiseerde het CSC-vormingswerk ism met de Anne Frankstichting een tentoonstellingscircuit De wereld van Anne Frank door Vlaanderen. Ik werd gevraagd om deel uit te maken van de pedagogische commissie. Wat wij aan voorbereidend werk deden voor de scholen en de diverse provincies was enorm. Ik dacht toen bij mezelf en dit gesuggereerde ook een stafmedewerker van de Anne Frankstichting je werkt voor anderen maar dit kun je ook evengoed voor jezelf en je eigen school doen. En zo gebeurde het dan.


Na een jaar voorbereiding, sensibilisatie van de pers en zoektocht naar sponsors konden we dan in 1993 de tentoonstelling De Wereld van Anne Frank openen te Aarschot.


Het was een hart onder de riem dat ik toen kon rekenen op vele vrienden en collega’s van de middenschool. Belangrijk was dat op mijn bedeltocht naar geld al de scholen van Aarschot dit project hebben gesteund. Vandaag ben ik hen daar nog altijd dankbaar voor. Het was een gebeuren dat onze school oversteeg. Musici, schrijvers en kunstenaars allerhande betoonden hun adhesie, leuk om mee te maken. De pers schreef ongevraagd en vervulde haar rol van geweten.




Op 12 november voerden Dinke Hondius van de Anne Frankstichting Amsterdam, Louis Tobback, toenmalig minister van Binnenlandse zaken en Rik Daems, burgemeester van Aarschot het woord op de academische zitting. Eregasten naast al de andere aanwezigen waren de overlevenden uit de kampen. Zij waren gelukkig, zij hadden in mij een kompaan, dienaar en vriend gevonden.


Een geest van samenhorigheid en verbondenheid, boven alle gezindheden uit kenmerkte de receptie, dat was de wereld die ik voorstond! Niet minder dan 450 mensen deelden in de vreugde.


Voor de gidsing kon ik beroep doen op een schare van 35 vrijwilligers, waarvan het merendeel oud-leerlingen. Hun leraar van toen keek en zag dat het goed was!


De tentoonstelling werd omkaderd door randactiviteiten: Lydia Chagoll kwam praten over vrouwen in Jappen–en nazi-kampen, Hubert Lampo sprak over zijn oorlogsromans, Jacques Lust had het over Ontaarde Kunst, E.Verhoeyen leidde een debat in over Verzet in het Hageland en prof. dr. Mahler sprak over zijn ervaringen als ondergedoken kind in Aarschot.


Ik kreeg ook een vraag van een SP-delegatie van het Europees Parlement met o.m. Marc Galle, Lode Van Outrive en Frank Vandenbroucke, om hier hun manifest omtrent verdraagzaamheid bekend te maken. In al de omliggende scholen werd er gedacht en gewerkt met Anne Frank als uitganspunt. De boekhandels verkochten meerdere exemplaren van het dagboek en in de bibliotheek haalde het aantal ontleningen hoge pieken. De bibliothecaris met zijn team had een speciale keuzelijst aangemaakt ten behoeve van de scholen. Op meerdere terreinen waren mensen werkzaam.


Op het Anne Frank Concert op zaterdag 19 november 1993 in de stadsfeestzaal kreeg ik van de meisjes en jongens van Aarschot en omliggende gemeenten een ovatie, deze warmte en gelijkgezindheid onder de mensen waren een riem onder het hart. Een metershoge foto van Anne Frank keek toe. The Scabbs, Tom Robinson, Beverly Jo Scott en Verlin, een oud-leerling, speelden en zongen dat de zaal op zijn grondvesten daverde. Zij deden belangloos. 1200 meisjes en jongens samen… gewoon allemaal samen! Voor hen zou ik alles voort doen.


Toen de tentoonstelling op 19 december werd afgesloten hadden we niet minder dan 13.298 bezoekers over de vloer gehad. Een getal dat nooit door enige organisatie in Aarschot werd gehaald en mogelijk nooit meer zal gehaald worden.




Op 3 januari 1994 kreeg ik gans onverwacht, omwille van deze culturele verdienste in de Stad Aarschot het Olijfje uitgereikt. Het is een initiatief de culturele raad, de plaatselijke pers en het theater Aleydis, fijn van deze laatste, ik was immers ook een van de medoprichters van dit gezelschap. Op deze prijs ben ik bijzonder trots. Het beeldje een brons van de Aarschotse beeldhouwer Jan Rosseels heeft een centrale plaats in mijn living. Van de directie en het personeel van het Sint-Jozefscollege kreeg ik een mooie brief met felicitaties…


Even bleef het rustig tot dat ik op een zekere dag een telefoontje kreeg om deel uit te maken van een groepje dat zich bezighield met de geschiedschrijving van Aarschot. Het eerste contact was warm en erg vriendelijk. De leden waren een weerspiegeling van het Aarschotse scholenlandschap.


Uit deze contacten ontstond de Werkgroep Tweede Wereldoorlog. Bedoeling was de kennis omtrent de Tweede Wereldoorlog in Aarschot te structuren en een schoolmap samen te stellen ten behoeve van de Aarschotse leerkrachten. Kort daarop werd deze eerste publicatie aangevuld met een beschrijving van de Tweede Wereldoorlog in de deelgemeenten.


In 1997 ontstond uit dit eerste samenwerkingsverband deWerkgroep Aarschotse Geschiedenis Documentatie en Informatie omdat haar werkterrein ruimer was dan alleen maar de studie van de Tweede Wereldoorlog.

Door haar onderzoek wilde de werkgroep niet alleen de inwoners van Aarschot en haar deelgemeenten maar vooral de scholen en verenigingen ten dienste zijn. In die zin had de werkgroep niet alleen een informatieve maar ook een ondersteunende taak.


Door deze vorm van geschiedschrijving hebben wij de lezers hun stad opnieuw doen ontdekken en misschien ook anders leren ervaren, waardoor ze in de ban geraakten van hun eigen geschiedenis. Naast het lezen over hun stad zijn de mensen zelf zich gaan bezig met hun verleden. Velen zijn hun zolders opgekropen op zoek naar oude documenten, foto’s en bronnen allerhande. Sommigen hebben ons dit materiaal gegeven om te kunnen bewaren voor de komende generaties. Uit deze werkzaamheden zagen tal van publicaties het licht die gebeurde in samenwerking de Stedelijke Openbare Bibliotheek, de Toeristische Dienst en het Stedelijk Museum voor Heemkunde in Aarschot. We sloten ook nog een samenwerkingsverband met de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed Leuven. Met plezier nam ik vele jaren tot mijn verhuis naar Oostende het voorzitterschap waar van de werkgroep.


Hoewel mijn belangstelling voor het stadsgebeuren groot was, bleef mijn aandacht en inzet voor mijn leerlingen, mijn school, de scholen van Gemeenschapsonderwijs in het Aarschotse de eerste prioriteit.


Voorheen had ik al de aandacht gevestigd op het feit dat de école moyenne pour garçon de oudste school van Aarschot – 1852 – wat sommigen de ogen deed fronsen omdat zij dachten dat het anders was! Bij de directies van respectievelijk het Koninklijk Atheneum, de basisscholen De Hoogvlieger Ourodenberg en Dol-fijn Rillaar drong ik aan om zeker aandacht te schenken aan hun 50-jarig bestaan blijkbaar lag niemand, behalve ik leerkracht ncz , daar wakker van. Ook dat deed de ogen fronsen.


2006 was een jaar van afscheid nemen. Regine Beer had weer een zoveelste crisis gehad, zij wilde stoppen met het geven van lezingen, het vergde teveel van haar krachten. Voor de tweede maal vroeg ze of ik haar getuigenis wilde verder zetten. En zo gebeurde het. In Juli kreeg zij het bericht dat koning Albert II beslist had haar de benoemen tot commandeur in de Kroonorde. In september werden we samen ontvangen op het paleis van Laken.




Omwille van mijn open geest en zin voor dialoog kreeg ik veel aandacht in het stads-gebeuren. In het museum van Aarschot, ik was ook lid van de museumcommisie, heb ik heel wat initiatieven ondersteund en zelf georganiseerd o.m een tentoonstelling over de Eerste wereldoorlog, de concentratiekampen, het XXIste en XXIIste A-B jodenstransport, de Vrijmetselarij in Aarschot…


Als lid van het eerste uur werd ik door Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkunde op hun viering van 50 jaar bestaan gevraagd om de gelegenheidstoespraak te houden. Ik heb dat gedaan steeds verwijzend naar het belang van de geschiedenis en de open geest. In de voorbereiding herdenkingsplechtigheden Groote Oorlog 2014, werd ik door de toenmalige schepen van cultuur om de voorbereidende werkzaamheden te coördineren en de stad te vertegenwoordigen op de bijeenkomsten van de andere Martelarensteden. Ik heb die opdracht met de grootste nauwgezetheid uitgevoerd bovenlokaal door het leveren van een bijdrage aan een boek en plaatselijk heb ik werkgroepen georganiseerd met leerkrachten uit al de scholen van Aarschot.. Voor mijn toch vrijblijvende inzet kreeg ik, gans onverwacht, de Jozef Terweduweprijs. Deze hield in, een oorkonde, een penning en geldsom.




Ik was een tevreden en gelukkig man.


En toch, toekijken was niet mijn ding.




Op zondag 16 september 2018 werd op mijn aangeven in Langdorp, een deelgemeente van Aarschot, een monument ingehuldigd als herdenking aan het XXIste en XXIIste A-B jodenstransport die uitzonderlijk langs Aarschot – Langdorp waren gekomen. Op basis van mijn onderzoek besloot het museum een publicatie uit te geven, waarvoor mijn welgemeende dank.


Ik heb het vrijzinnig-humanistisch gedachtengoed steeds geïntegreerd in mijn dagelijks doen en laten als mens, als leerkracht met liefde voor het vrije denken, de geschiedenis en onze taal. Dit heb ik alles heb ik ook gegeven, binnen de vrijzinnige structuren, ik heb mijn ding gedaan zoals dat van overtuigd vrijzinnig kan verwacht worden. In het stadgebeuren heb ik daar waar het kon en moest blijk gegeven van een grote openheid en zin voor dialoog en respect voor de medemens.

In dat verband en bewijs daarvan, kan ik terugblikken op diepe vriendschap die ik had priester op rust JD, de deken van Aarschot op rust HG, die me in zijn tuin uitnodigde om te spreken over WO I in Aarschot en om een lezing te geven voor de interlevensbeschouwelijke gespreksgroep waarvan hij lid was, in bijna al de scholen van vrij onderwijs heb ik lezingen gegeven of workshops georganiseerd.


Ik heb gedaan wat ik kon, wat binnen mijn mogelijkheden lag, had ik meer kunnen doen waarschijnlijk, had ik het anders kunnen doen, ook waarschijnlijk, ik ben maar wie ik ben en daar ben ik me altijd terdege bewust van geweest.

Mijn goede vriend en geestesgenoot Etienne, ik had al veel opgeborgen, veel van wat ik had aan documenten allerhande en foto’s heb ik overgemaakt aan het stadsarchief van Aarschot waar het keurig opgeslagen is. Ooit had gedacht archeoloog te worden, graven, zoeken en hopelijk vinden was een jongensdroom. Veel heb ik hieromtrent gelezen en sites bezocht. Ook dacht ik aan dirigent, vol bewondering toe hoe deze alles in harmonie wisten te brengen, ik lees op Wikipedia De belangrijkste taak als dirigent is het ten uitvoer brengen van een mooie compositie. Om dit te kunnen bereiken zal een dirigent over managementvaardigheden moeten beschikken, omdat alle orkestleden precies moeten doen wat de dirigent wil. Als een bepaald onderdeel niet goed loopt zal dit in de meeste gevallen direct hoorbaar zijn.


Die passies van toen zijn steeds gebleven, jij hebt me doen graven, zoeken niet op een site, maar in mijn eigen biotoop. In het streven naar harmonie heb ik met veel Wijsheid, continue Kracht Schoonheid kunnen brengen.


En om af te ronden, ik ben een gelukkig leraar op rust en kijk met voldoening terug wat nu is. Aarschot heeft sinds kort een Vrijzinnig Huis Open dialoog, oudleerling Nils Van den Bergh uit Langdorp zal ondersteunen in de dienstverlening en Cynthia Van Kets is leerkracht NCZ in de basisschool De Hoogvlieger in Ourodenberg en de Knipoog Rillaar - Aarschot.

Ter afsluiting een citaat:

Mooi zijn de stromen

die komen uit de bron

van het hart

Bert Schierbeek



Lees ook


Het Vrije Woord Okt-Nov-Dec 2020 Jg 65 NR 2 Een reflectie over het voorbije


Publicaties


Als auteur


KZ A 5148 Regine Beer, uitg. Epo, Antwerpen, april 1992 eerste druk/ oktober 1992 tweede druk

KZA 5148 Regine, éd. Epo Bruxelles 1992

In Sul Confine La Questione dei “ Matrimoni misti “ durante la persecuzione

antiebraica in Italia e in Europa (1935 -1945) Giuliana,Marisa,Gabriella Cardosi

Silvio Zandrani Editore 1998



Primo LEVI, Bio-bibliografische Kopstukken bijlage bij kritisch-bibliografisch tijdschrift de Vrijzinnige Lezer jg.13nr.3 1993

De wereld van Anne Frank 1929-1945, Educatief pakket 14+ 1993 CSC-vormings-werk Brussel

REGINE Beer. Mijn leven als KZ A 5148. Uitg. Epo, Antwerpen 2006

VERGETEN OORLOGSKINDEREN. Het levensverhaal van de ondergedoken Joodse kinderen Regina en Georges, uitg. ASP, Brussel 2012

LES OUBLIES DE LA GUERRE.L’histoire de Regina et Georges, enfants juifs cachés, Ed.ASP, Bruxelles 2020

JODENTRANSPORT XXIste & XXIIste A-B, Langdorp 1943, uitg. Stedelijk museum Aarschot, AGB Aarschot 2020


Als co-auteur

DURF TE DENKEN, denken over moraal en actuele maatschappelijke problemen, handboek en werkboeken n.c.zedenleer, werkgemeenschap leraren ethiek vzw, uitg De Sikkel, Antwerpen 1996

HUBERT LAMPO 50 jaar schrijverschap, uitg. ASP - Academic and Scientific Publishers, Brussel 1996

GENUMMERD VOOR HET LEVEN. De laatste getuigen van de concentratiekampen in Europa (1940-1945), uitg. Davidsfonds, Leuven 2009

DE LAATSTE GETUIGEN uit concentratie-en vernietigingskampen,uitg. ASP Brussel 2010

MARTELARENSTEDEN BELGIE, Augustus - September 1914, Visé, Aarschot, Tamines, Dinant, Andenne, Leuven, Dendermonde, uitg. Presses universitaires de Namur | Histoire, Art et Archéologie, Namur 2014

VILLES MARTYRES BELGIQUE, Août-Septembre 1914, Visé, Aarschot, Tamines, Dinant, Andenne, Louvain, Termonde, Ed. Presses universitaires de Namur | Histoire, Art et Archéologie, Namur 2014


+ aantal publicaties met

Werkgroep Aarschotse Geschiedenis Documentatie en informatie (WAGDI) met betrekking op de plaatselijke Geschiedenis

Op mijn aangeven

VROEGER GAAT NIET OVER. Herinnerings-educatie als pedagogische praktijk, uitgeverij Lannoo Campus, 2017


[i] Flor Grammens, taalactivist, Belgisch politicus voor het VNV, en collaborateur in de Tweede Wereldoorlog ( 1899 – 1985 ) werd bekend toen hij vanaf januari 1937 eigenhandig Franstalige overheidsmededelingen, zoals straatnaamborden, overschilderde, ook deze plaat moet er aan geloven. Vandaag is het gevolg van zijn actie nog steeds zichtbaar.