Pijn- en andere drempels

Sonja Callay

19 okt. 2022

Dokters… ik heb er al mijn hele leven een moeilijke verhouding mee.

In mijn jeugd deden ze zich voor als alwetende onfeilbare goden, maar ze maakten een stel ongerelateerde fouten die mijn leven serieus beïnvloedden. Fouten die ze bij voorkeur niet toegaven. Fouten die ervoor zorgden dat ik een borderline ongezonde pijndrempel heb ontwikkeld. Schrap die ‘borderline’ maar.



Het doembeeld van artsen als alwetende onfeilbare goden heb ik tegenwoordig wat bijgesteld, vooral toen ik hoorde dat er in de eerste les bij de studenten geneeskunde expliciet wordt gezegd dat geneeskunde géén exacte wetenschap is.

De eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat veel dokters tegenwoordig dat aura hebben afgelegd. Wat hen siert. Hier en daar een stel achtergebleven fossielen niet te na gesproken, valt het de laatste tijd wellicht best mee.


Wetenschap heeft mij altijd geïnteresseerd en geneeskunde ook, dus ik weet wellicht meer van anatomie en de werking van het lichaam dan mijn buurman. En ik ben ook niet vies van dokter Google. Samengevat: ik weet echt niet meer dan een arts, maar ik ben geen makkelijke patiënt, eerder vraagbaak dan luisteraar. Gelukkig heb ik een huisarts die me begrijpt, die rustig de tijd neemt om mij, als dat nodig is, alles grondig uit te leggen, en die het niet erg vindt als ik een tweede of een derde opinie zoek als het ernstig wordt. Een

huisarts ook die binnen bepaalde grenzen tolereert dat ik dingen voor me uitschuif.

Dat ik elk jaar trouw alle routineonderzoeken en preventieve tests onderga, vind ik al heel flink van mezelf, maar dat betekent niet dat ik me zonder meer overgeef aan de medische wereld.


De zomer tussen twee lockdowns belandde ik in Luxemburg met een groep schrijvers. Ik was vrijdag vertrokken met wat buikpijn maar ja, wie heeft eens geen buikpijn? Ik heb gevoelige darmen en ik zocht er verder niks achter. Je gaat toch niet voor wat buikpijn naar de dokter!?

De buikpijn bleef. Ze werd erger. Het werd dinsdagochtend en ik had letterlijk, ook met mijn torenhoge pijndrempel, de hele nacht niet geslapen. We hadden een gepensioneerd huisarts in de groep en na nog wat aarzelen, ging ik hem om raad vragen.

Ontstoken appendix was zijn idee. Dat wordt opereren, vreesde hij, maar aangezien hij mij kent, en ook mijn scepsis tegenover dokters, stelde hij voor om het nog heel even aan te zien. Wat ik deed. Tot ik het flink zijn uiteindelijk opgaf en hij mij naar het lokale ziekenhuis bracht. Het was nog covid en hij mocht niet mee naar binnen. En, wat had je gedacht, de batterij van mijn gsm was bijna leeg en de oplader zat… in de

tas die ik bij mijn chauffeur in de auto had gelaten. Want ik zou zo weer weg kunnen, toch?


Iemand die pijn zo kan verbijten als ik, moet je eigenlijk een paar vuistregels meegeven voor ze een spoedafdeling binnenstappen:

  • Regel 1. Stop met je pijn te verbijten, integendeel, dik ze

  • Regel 2. Maak geen grapjes met dokters of verpleegsters als


Bon, die vuistregels had ik dus niet ontvangen en ik zat u-ren – letterlijk u-ren: van twee tot zes – mijn pijn te verbijten in een eerst lege, dan vollopende, en ten slotte uitpuilende wachtzaal.

Toen ik uiteindelijk toch een verpleegster te zien kreeg, ergens in een achterafkamertje, werd er bloed genomen en moest ik helemaal terug door de wachtzaal om op het toilet in een doorzichtig plastic potje te plassen. Om me dan met het volle potje een weg terug te banen door een mensenmassa, het hoofdpodium van Rock Werchter waardig, het eerste optreden na twee jaar corona.


Het was september, maar het werd al donker eer ik naar de scanner mocht. Ook daar een nuttige tip: maak geen grapjes met radiologen over contrastvloeistof en of je dan licht geeft in het donker, ze verwachten dat niet. En nee, het lag niet aan mijn Frans.

Om een lang verhaal kort te maken, plots moest het snel gaan: ik had ‘une belle appendicite’. Er verscheen uit het niets een chirurg die in het Frans met toch wel een zwaar accent aankondigde dat ik meteen moest worden geopereerd.

Kleine parenthese: intussen heb ik op doktersvlak een joker.

De familie telt tegenwoordig een arts-specialist in opleiding, en ik had haar met mijn tanende batterij al even gebeld. Als het een ‘simpele’ appendix was, vond zij, moest ik maar gewoon in Luxemburg blijven, want dat is dermate routine dat ze het zelf met een cuttermesje zou kunnen doen als we op een vliegtuig zaten en er een hele dag nergens plaats was om te landen.

Nee, zo heeft ze het niet gezegd. Maar het zou bij een simpele ‘appi’ een laproscopisch ingreepje worden met twee dagen hospitaaleten en dan vrolijk naar huis.


Maar het bleek dus geen routinegeval, wat had je gedacht…

Ik had meer dan lang genoeg gewacht en de appendix was plastronné. Ik had geen tijd om dokter Google te vragen wat dat was, maar toen dat woord viel, werd het stil bij mijn joker aan de andere kant van mijn bijna platte telefoon.

Ik probeerde de chirurg beleefd te zeggen dat ik me misschien toch wel meer op mijn gemak zou voelen in een ziekenhuis waar ze mijn moedertaal spraken. ‘Mais madame’’ zei hij, ‘uw Frans is beter dan het mijne!’ Wat zonder meer waar was, maar wat mij op de een of andere manier niet geruststelde.


En hij had nog een overtuigend argument om mij gerust te stellen dat alles wel in orde zou komen. In Roemenië, waar hij opgeleid was, viel er in een ziekenhuis na acht uur geen chirurg en geen anesthesist meer te bespeuren. Dus… ‘On croise les doits et on cerre les fesses’ – vingers kruisen en billen toeknijpen – en hopen maar dat de patiënt de volgende ochtend nog leeft voor de operatie. Hier in België is tenminste

een volledig chirurgisch team ter beschikking, bedoelde hij.

Maar zijn grapje, geloof het of niet, stelde mij niet gerust.

Misschien moet er op de spoedafdeling ook een regel worden ingevoerd over grapjes van dokters. Of toch slechte.


Een half uur later laadden twee charmante damesambulanciers mij in een ziekenwagen en na dik twee uur

werd ik op de spoed van de VUB-kliniek in Jette ontvangen door de joker en een capabele jonge chirurg van wacht. Mijn dokterstrauma’s hadden het in de ambulance afgelegd tegen een bijzonder aangename morfine-ervaring. Ik had een fantastisch gesprek met een van de dames over haar dochter en hoe hard ze had moeten werken om als vrouw ambulancier te worden en serieus genomen te worden. Ik denk dat ik tijdens de rit haar grootste fan was.


Had ik gelijk om de ongetwijfeld gediplomeerde en capabele chirurg in Luxemburg aan mij voorbij te laten gaan? Het feit dat mijn simpele laproscopische appendixoperatie meer dan twee uur duurde, dat midden in de nacht een extra arts werd gebeld om te beslissen of ze toch niet beter een stuk darm bij me konden wegsnijden, dat uiteindelijk werd beslist om me niet open te leggen maar te wachten hoe de infectie op zware antibiotica zou reageren, doet mij sterk vermoeden van wel.

Had ik het in Luxemburg overleefd? Wellicht wel. Had ik wat minder flauw moeten zijn? Daar kan je me niet van overtuigen.


Het blijft dansen op een slappe koord: soms moet je op dokters rekenen, ze redden wel degelijk dagelijks levens – zoals in dit geval het mijne. Honderd jaar geleden was een appendix ‘game over’.


Naarmate ik ouder word, moet mijn cynische houding misschien een beetje gemilderd worden. Net zoals mijn pijndrempel trouwens.

Maar ik onthoud: geneeskunde is geen exacte wetenschap.

En al helemaal niet als je in Luxemburg een appendicitis krijgt.