De geschiedenis van de apotheek

Patrick Daems

19 okt. 2022

Ziektes als straf van de goden

Het oudst bekende schrift rond apotheek is de zogenaamde Tafel van Nippoer (Mesopotamië, 2100 v.C.), een lemen tablet waarop in spijkerschrift 14 recepten staan. Maar van groter belang is de Papyrus Ebers (1550 v.C.) van de Egyptenaren.

Die bevat een 700-tal recepten met planten en chemische bestanddelen. Elk recept begint met het teken van Horus (god van de gezondheid). Het symboliseert ‘het kwade oog’ en het moet de hulp van de goden aanroepen om ziektes te bezweren.

Later werd dat teken vervormd tot een R (recipe), die vandaag nog op elk recept staat.


Bij vele volkeren waren godsdienst en geneeskunde met elkaar verweven. Ziektes werden beschouwd als een straf van de goden. Enkel een priester kon die gunstig stemmen en genezing bekomen. Bij het zoeken naar kruiden en het bereiden van allerlei zalven, likkepotten en klisteren die wat hulp boden, werd de priester-dokter geholpen door een knecht.




Oog voor gifstoffen en geneesmiddelen

De Grieken (1200 v.C.) hadden grote invloed op de geneeskunde. Hippocrates, de vader van de geneeskunde,

maakte in zijn werken al gewag van 263 geneesmiddelen van plantaardige en chemische oorsprong. De knecht van de hogepriesters werd hier ‘pharmacopoloi’ (artsenijverkoper) en ook wel ‘wortelgraver’ of ‘zalvenmenger’ genoemd.

Het symbool van de apotheker, de schaal van Hygiëna omwindeld met een slang, komt uit de Griekse mythologie.

Deze drinkende slang symboliseert het leven, omdat ze door het periodiek afwerpen van haar huid, onbeperkt schijnt te verjongen.


De Griekse geneesheer Medriaticum ontwikkelde een antigifmiddel bestaande uit 180 bestanddelen waaronder addervlees. Het werd gebruikt tot in de 19e eeuw. Tot dan werd er evenveel tijd gespendeerd aan het bestuderen van gifstoffen als aan de studie van andere geneesmiddelen. De Romeinen (753 v.C.) noemden een geneesmiddel zelfs een antidotum.


Een belangrijke schakel tussen Grieken en Romeinen was de Griekse geneesheer Galenus die in Rome verbleef. Hij beschreef vele bereidingsvormen en waar voordien de vingerof handgreep gebruikelijk was als maat, voerde hij als eerste gewichten in.

Tijdens de vervolging van de christenen door de Romeinen werden twee Syrische broers en geneesheren, Cosmas en Damianus, de patroonheiligen van de dokters en de apothekers.


Apothekers met bidplaats

Met de komst van de Arabieren, in het begin van de middeleeuwen, ontstonden de eerste apotheken. Uit hun

onmetelijke rijk assimileerden de Arabieren zoveel mogelijk wetenschap en cultuur. En met hun geest voor orde en systemen, eisten zij dat het bereiden van geneesmiddelen een afzonderlijk beroep werd. Ze richtten dus speciale scholen op, en de eerste apotheek werd in Bagdad geopend in 770.

De apothekers van de Arabieren ontwikkelden pleisters, infusen, siropen en afkooksels. Mekka werd een wereldmacht van geneesmiddelen en de alchemie (zwarte kunst). De alchemisten zochten een levenselixir en waren ervan overtuigd dat ze enkel konden slagen als hun levenswandel de goden welgevallig was. Vandaar dat er in hun werkplaats (labor) ook steeds een bidplaats (oratorium) aanwezig was.


Geneeskunde en farmacie, een zaak van kloosterlingen

Nadat de Arabieren in 732 verslagen waren in Poitiers, kwam het Germaanse rijk aan de macht. Met de komst van het christendom en de scholastiek werden scholen en universiteiten opgericht. In de kloosters werden vele wetenschappelijke en medische teksten naar het Latijn vertaald. De uitoefening van de geneeskunde en de farmacie kwam alsmaar meer in handen van de kloosterlingen. Zij begonnen geneeskrachtige kruidentuinen aan te leggen en de plaats waar hun geneesmiddelen opgeslagen werden, noemden ze apotheca (bergplaats).

Tot aan deze periode, was er van het beroep van apotheker weinig geweten. Wat we wel weten, is dat de knecht zelf kruiden ging verkopen en zich daarin ging specialiseren.

Vanaf dan werd hij kruidenier-apothecaris genoemd.


Strikte scheiding sinds 1231

Een duidelijke en definitieve scheiding met de geneesheren kwam er na een mislukte vergiftigingspoging op Frederik II, keizer van het Duitse Rijk, door zijn lijfarts. In 1231 verleende de keizer daarom het monopolie voor het bereiden en afleveren van geneesmiddelen aan de apothecarissen. Zij verenigden zich in de gilde van de Merceniers. De magistraten stelden eisen aan het beroep en legden die vast in een wet.



Eerste apothekers bij ons

De eerste apothecarissen in onze streken kwamen uit het zuiden. Daar waren immers eerder universiteiten opgericht.

Zo kon je vanaf 1150 bijvoorbeeld al een opleiding volgen in Salerno. In de poorterboeken van Leuven vinden we in 1269 de oudst bekende apotheker terug: Johannes dictus de Lyra. De tweede woonde rond 1285 in Brugge en de derde, Petrus apothecaris, in Diest in 1290.

In onze streken bleef de opleiding in handen van een meesterapothecaris.

Dokters, chirurgijnen en apothecarissen groepeerden zich samen in beroepsverenigingen (Collegia Medica).


Vanaf de renaissance (1492) werd er meer tijd besteed aan studie en experimenteel onderzoek. De Zwitserse geleerde Paracelsus was een belangrijke schakel in deze periode. Zijn visie was dat er voor elke ziekte een medicament bestaat.

Sommige planten toonden door hun gelijkenis met uitwendige symptomen zelfs waarvoor ze nuttig zijn, beweerde hij (de signatuurleer). De verdikkingen in de bijwortels van de stinkende gauw, bijvoorbeeld, lijken sterk op aambeien, en werden dan ook voor de behandeling ervan gebruikt.

Daarnaast zorgde Paracelsus voor talrijke nieuwe chemische geneesmiddelen, vereenvoudigde hij recepten en ontwikkelde hij vele nieuwe vormen van geneesmiddelen.


De Nieuwe Tijd was ook het tijdperk van bekende botanisten zoals Lobelius en Dodoens.





Invloed van Collegia Medica

Na de ontdekking van Amerika (1492) en Indië (1497) werden vele nieuwe geneesmiddelen naar onze streken geïmporteerd. Producten zoals tabak, koffie en suiker werden oorspronkelijk als medicament verhandeld en ze werden uitsluitend via de apotheek verkocht. Pas later werden het genotsmiddelen.


In deze periode moest de kandidaat-apothecaris minimum acht jaar in de leer geweest zijn bij een meester en nadien nog enkele jaren als meestergast in de praktijk gestaan hebben. Na een geslaagd examen voor een collegium, legde de apothecaris de eed af voor het stadsbestuur.


De Collegia Medica bleven een grote invloed hebben op het beroep van apothecaris. Zij legden in sommige steden zelfs een beperking van het aantal apotheken op, maar bovenal beschermden zij hun monopolie tegen ‘charlatans’, zogenaamde kwakzalvers of lapzalvers. Van staatswege werd een wetboek uitgegeven waarin de standaardeisen geformuleerd stonden waaraan bereidingen moesten voldoen. Het Antidotarium Nicolai (1550) was de eerste Nederlandstalige uitgave.


Oprichting van Collegia Pharmaceutica

Omdat de apothecarissen het beu waren om onder het gezag van de geneesheren geplaatst te worden, werden rond 1742 de eerste Collegia Pharmaceutica opgericht. Zij gingen zich voortaan zelf met de opleidingen bezig houden. Vanaf dan moesten de kandidaten vier jaar humaniora volgen. Zo kregen

ze een goede kennis van het Latijn. Die was nodig om de medische boeken en de gegevens over kruiden te kunnen lezen en om voorschriften te ontcijferen. Daarna moesten zij vijf jaar stage lopen bij een meester om ten slotte een examen af te leggen voor een Collegium Pharmaceuticum.


Keizerin Maria-Theresia voerde tijdens de Oostenrijkse bezetting (1713-1794) aan de universiteiten cursussen voor apothecarissen in. Vanaf dan bestond de opleiding uit vier jaar humaniora, vijf jaar universiteit en twee jaar stage.

Kruideniers mochten geen medicatie meer verkopen. Voor de kloosters werd een uitzondering gemaakt.


Fransen schrappen universitaire studies

Onder het Frans bewind (1794-1815) werd de klok weer teruggedraaid en werden de universitaire opleidingen afgeschaft. Nu moest een kandidaat acht jaar in de leer gaan bij een stagemeester en daarna een examen afleggen. Indien hij geslaagd was, werd hij een ‘Pharmacien de seconde classe’.

Hij kon ook drie jaar les volgen aan een Ecole Centrale en drie jaar stage doen om na een geslaagd examen ‘Pharmacien de première classe’ te worden. Vanaf dan gebruikt men de naam apotheker.


In deze periode ontstonden ook de ‘geheimmiddelen’, vaak goede geneesmiddelen die onwettig verkocht werden door kwakzalvers. Zij vormden later de basis voor de hedendaagse specialiteiten. Vanaf 1818 mochten deze producten nog enkel in apotheken verkocht mochten worden, na een grondige controle.


Belgische apothekers komen op voor hun opleiding

Onder de Nederlandse bezetting (1815-1830) ging de opleiding nog een stap verder achteruit. De superioriteit van de geneesheren mocht niet aangetast worden en door de Wet op het Hoger onderwijs (1815) werden apothekers herleid tot paramedici.


Het was dus te verwachten dat, zodra België onafhankelijk was, de apothekers, die zich opnieuw verenigd hadden in de Farmaceutische Landsvereniging, grote druk uitoefenden op de politici om opnieuw een universitaire opleiding te bekomen. De enorme ontplooiing van de scheikunde en de toepassing in de geneeskunde was de stimulerende factor.

Enkel via universitaire studies kon zoveel nieuwe kennis vergaard worden. Hun acties leidden in 1849 tot een driejarige universitaire opleiding na de humaniora en één jaar stage lopen. In de 20ste eeuw werd dat vijf jaar universiteit.


Farmacie en apothekers vandaag

Na WO I rezen in ons land de farmaceutische en parafarmaceutische laboratoria als paddenstoelen uit de

grond. Zij ontwikkelden enorm veel nieuwe geneesmiddelen.

Het grote aantal apotheken zorgde voor een ongezonde concurrentie en voor misbruiken en het werd moeilijk om nog van een apotheek te leven. Daarom beperkte de wet van 1970 de oprichting van nieuwe vestigingen.


Waar voor de eeuwwisseling vooral aandacht werd geschonken aan organische en anorganische scheikunde en de toepassing hiervan in de medicatie, is het beroep stilaan een specialisatie geworden in de geneesmiddelen met de kennis van analyse, menselijke fysiologie, anatomie en biochemie.

De apotheker van de 21ste eeuw is geëvolueerd van een bereider van geneesmiddelen en vertrouwelijke raadgever naar een specialist van de geneesmiddelen en een vertrouwelijke raadgever.




Patrick Daems is apotheker op rust. Hij geeft onder andere voordrachten

over de ontstaansgeschiedenis van apotheken.