Pay it forward

Sonja Callay

21 aug. 2022

Er vliegen jachtvliegtuigen over. Betekom, Beauvechin, de militaire luchthaven ligt zelfs in niet-gemotoriseerde vogelvlucht vlakbij.

Ik voel de Oekraiënse mensen die ik in de afgelopen weken heb ontmoet, ineenkrimpen en ik krimp mee.


Zo is er Anhelina. Die is zeven en heeft aan één oog nog 40% zicht. Haar andere oog speelde ze helemaal kwijt in de kleuterklas: een potlood van een ander kind precies op de foute plaats… Ze vluchtte samen met haar blinde papa Sacha en heel slechtziende Yulia vanuit de Donbas.

Vandaag leeft het gezin in een serviceflat, want de collectieve opvang bleek onmogelijk te navigeren voor blinden. Hun flat ligt geïsoleerd van de andere mensen die hun taal spreken en die hun eten kennen. Ze eten uit gemicrogolfde verdeelschaaltjes prut die ook de meeste bejaarden in het gebouw met weinig smaak slikken.

Ze moeten dankbaar zijn voor wat het OCMW hen brengt. Dat ze dit eten niet kennen, daar heeft niemand aan gedacht. Dat ze de etiketten zelfs niet kunnen lezen? Nee… Dat ze niet zien waar alle knoppen staan om die microgolf te bedienen? Tja, ook daar is niet aan gedacht…

Met een stel vrijwilligers plakken we reliëfplakkertjes, we brengen Anhelina in de vakantie naar speelkampjes, we bellen naar scholen en CLB’s. En het voelt niet echt aan als helpen…


Angelica dan is een jaar of veertig. Zij vluchtte samen met haar bejaarde mama en incontinente, bedlegerige papa voor de tweede keer. Een paar jaar geleden vertrok ze uit het onveilige oosten van Oekraïne naar een veiliger plek, tot ook daar de bommen vielen. Haar man mocht het land niet uit.

De eerste keer dat ik Anhelina en Angelica zag, kwamen ze net aan, met zo’n twee weken tussen. Ik zou met hen ondergoed gaan kopen. We kregen lokaal dozen en dozen nette kledij in alle maten en kleuren. Maar ondergoed tweedehands? Ik denk het niet. De eerste vrijwilligers die mensen bij hun aankomst hielpen, vertelden steeds hetzelfde verhaal. Dat de mama’s wel voor hun kinderen ondergoed en sokken wilden aanvaarden, maar voor zichzelf? Nee, dat hoefde niet, echt niet. Na lang aandringen kozen misschien dan toch maar drie simpele slipjes, maar dat was wel genoeg hoor.

Ze beseften welllicht dat het geld rechtstreeks uit de portemonnee van die vrijwilliger kwam. Dus ging ik geld bedelen bij mijn collega’s op de academie. Dat ging verbazend makkelijk want kennelijk kan iedereen zich inbeelden wat het is om geen eerstehands schoon ondergoed te hebben. Ik had op één ochtend zo’n tweehonderd euro bijeen én ik vond de hulp van een vrijwillige tolk die na haar werk telkens voor de communicatie zorgde.

Voor Anhelina en Angelica en hun ouders had ik dus zeker genoeg geld. Bij de Zeeman kom je een eind, al is het soms wat zoeken. Kleine Anhelina nam ik nog naar de C&A om in de juiste maat slipjes te vinden, maar ook daar koop je je niet arm. Angelica had geen enkele bh, en we vonden er een leuke in de Hunkemöller voor geen twintig euro. ‘Thank you, thank you,’ zei ze toen we afscheid namen, mijn handen in de hare. Meer dan met haar hele Engelse woordenschat raakte ze me diep met haar blik.

Gelukkig was Yulia, de tolk er nog bij en kon ik haar vertellen dat ze zelf gewoon maar eens iets moest doen voor iemand anders die het nodig heeft. Pay it forward, heet dat zo mooi. Al heb ik het gevoel dat Angelica dat met haar hulpbehoevende ouders al meer dan genoeg doet.


Maar er was nog het incontinentiemateriaal voor de papa van Angelica. Het OCMW zei haar dat ze dat maar van hun zakgeld moeten kopen. Twintig euro per week per persoon is dat. Heb je al ooit incontinentiemateriaal moeten kopen? Wel, je komt niet ver met twintig euro. Zakgeld voor pampers...

Gelukkig komt er soms een beetje geluk bij een ongeluk. Eén van onze vrijwilligers had net een autokoffer volgeladen met gedoneerde spullen van een meneer die in het rusthuis was overleden. Daarbij zaten… zes pakken incontinentiemateriaal, allemaal met één of twee pampers eruit.

Angelica kan nu even verder. Hopelijk zijn haar ziekenkaspapieren tegen dan in orde en kan ze een of andere korting krijgen. En anders ga ik gewoon weer op bedeltocht. Er liggen vast in rusthuizen stapels achtergelaten halve pakken pampers. Ik doe wel een oproepje. En anders koop ik ze zelf.


Iemand vroeg me waarom ik dit doe. Zonder na te denken, zei ik: pay it forward. Aan het einde van de tweede wereldoorlog moest mijn moeder Antwerpen ontvluchten voor de zware Duitse bombardementen op de stad. Ze werd op de buiten opgevangen bij vreemde mensen, vrijwilligers, mensen die actief waren bij de weerstand, zo bleek later. Ons Ma zocht die mensen of hun kinderen in de lente nog altijd één keer per jaar op, tot lang nadat ze zeventig was. Met taart en bloemen. Elk jaar.

Het is natuurlijk puur toeval dat Anhelica en Angelica op mijn pad kwamen en dat ik hen kon helpen. Maar weet je hoe mijn moeder heet? Angèle.


Vorige week las ik in de krant een artikel waarin een Oekraïense jonge vrouw aan het woord kwam die al was teruggekeerd naar haar halfvernielde stad in het westen. Dat ze de hele tijd in het buitenland het gevoel had dat ze alsmaar dankbaar moest zitten knikken. En ook dat ze nu ze terug was pas merkte hoe stoffig haar stad is. Maar, voegde ze eraan toe, ‘het is ons stof en ik ben blij dat ik het terugzie.’


Ik wens Anhelina en Angelica en alle vluchtelingen, Oekraiëns of niet, snel hun leven en hun land terug. Hun eigen stof maar dat dan genoeg is gaan liggen voor een veilig leven daar.

Een wereld waar overvliegende legervliegtuigen gewoon betekenen dat het de nationale feestdag is. En dus niks om voor ineen te krimpen.

Een wereld waar iedereen gewoon thuis kan zijn waar hij of zij geworteld is, of aan de andere kant van de aarde als ze daarvoor kiezen.

Een wereld met overal en voor iedereen vrede, veiligheid, voldoende eten, fatsoenlijk werk en goede behuizing in een leefbaar klimaat.

En als het dan toch moet, een wereld waar vluchtelingen zich welkom weten altijd en overal. Om op adem te komen, om opnieuw te beginnen, om te leven.

Een ‘thank you’ hoeft niet eens. Just pay it forward.